De Goudse Sportduikers

Geschiedenis DGS, dl. 2

Periode 1960 – 1980

-Door Rene Bruinsma-

 

Tot ver in de twintigste eeuw was duiken vooral een middel om onderwater werkzaamheden te verrich­ten, zoals bij de marine, bergers en bouwers. Apparatuur was complex, duur en al snel levensgevaarlijk. Snorkelen gebeurde vooral op plaatsen waar ook iets te halen viel, zoals parels, koraal of vis. De marine werkte met gevaarlijke gesloten ademsystemen, en pas met de ontwikkeling van de ademautomaat werd sportduiken mogelijk.

Het duiken als particuliere activiteit, maakte zijn eerste groei door gedurende de crisisjaren van om­streeks 1930. Zwemmers en sportievelingen vonden in de zee een overvloedige voedselleverancier in deze schaarse jaren. Hiervoor waren wel wat hulpmiddelen en vooral een flinke dosis moed nodig. Voor de meesten vormden een duikbril, een badpak, een paar vinnen en een grote steen de gebruikelijke uitrus­ting. Duiken bleef, gedurende een jaar of tien, een sport voor slechts enkelen in onder andere Californië, Florida en de Italiaanse en Franse Rivièra.

Tijdens de tweede wereldoorlog experimenteerden wat Italiaanse kikvorsmannen en vormden effectieve militaire eenheden bij aanvallen op schepen. Deze groep inspireerde de marines van de Verenigde Staten, Engeland en Japan om met soortgelijke experimenten te gaan begin­nen. In dezelfde tijd was Cousteau bezig zijn Aqualung te perfectioneren. Het resultaat was dat er geld beschikbaar kwam voor de ontwikkeling van duikuitrusting, dat over­tollige uitrusting werd vrijgegeven voor het gewone publiek en dat jonge veteranen terugkeerden met een belangstelling voor recreatief duiken. De commercie ging haar werk doen, en er werd vrijetijdsuitrusting gefabriceerd. Cousteau’s Aqualung werd gebracht als een nieuw stuk speelgoed en kreeg meteen in 1950 een grote populariteit.

Met de eerste perslucht- en harpoenervaringen van va­kanties aan de Middellandse Zee, ontstonden in de ja­ren ‘50 de eerste Nederlandse duikverenigingen, zoals De Amsterdamse Kikvorsboys, die in 1952 werden omgedoopt tot OJC (van Onderwater Jagers Club). Baracuda uit Den Haag, bestaande uit een aantal aquariumhouders die wel eens wat meer wilden zien, en OJC Utrecht kwamen er een jaar later bij. In 1956 telde OJC maar liefst achttien leden en Baracuda veertien. In 1957 kwam er met Duikteam Manta een tweede club in Amsterdam bij die snel groeide, want na een jaar waren er al tien leden. De naam Baracuda was overigens afgeleid van het Duitse merk Barakuda, die de leverancier was van bijna alle duikmaterialen bij de Haagse club. De C werd een K om het Hollandser te laten lijken, alleen had er ook nog een ‘r’ bij gemoeten. De Amsterdamse clubs probeerden geld te verdienen door duikapparatuur te verkopen. OJC verkocht Loos & Co (Dive-Safe) materiaal zoals deze ook door de brandweer werd gebruikt. Manta verbouwde zuurstofapparatuur uit jachtvliegtuigen tot de Scott-Pro ademautomaat. Twee jaar daarna volgden Triton Rotterdam, die eerst nog de Rotterdamse Onderwater Vrienden en OJC Rotterdam heette, Calypso (OJC) Leiden en Merou uit Arnhem. Baracuda begon met het ontdekken van het toen nog rustige Zeeland, terwijl OJC vooral in de Vinkeveense Plassen te vinden was. Eind 1957 zijn er wat tekenen van samenwerking, toen de Contactcommissie voor Onderwatersport werd opgericht, die zich zou richten op het coördineren van brevetten, opleiding, en excursies.

1960: jaar van OJCGouda

OLYMPUS DIGITAL CAMERAIn 1960 huurden de Goudse broers Rob en Ben van Wingerden tijdens een vakantie aan de Middellandse Zee een stel flessen en automaten, waarmee ze gingen duiken. Ze hadden geen enkele ervaring op dat ge­bied en kregen slechts zeer beperkte instructies mee. Maar ze vonden het geweldig en kochten een oude Duitse marinefles met automaat. Terug in Gouda namen ze contact op met de toenmalige directeur van het Goudse Spaardersbad, de heer Rijke. Ze kregen toestemming om op zondagmiddag na sluitingstijd in het bad te oefenen. Rijke adviseerde Nic Roozendaal, die zwemles gaf aan een paar klassen van de Rijks H.B.S., eens contact met hen op te nemen. Dat deed hij en hij mocht ook even met de apparatuur oefenen. Het resultaat was een plan om een eigen duikclub op te richten. Nic Roozendaal zorgde met zeven H.B.S.- en Gymnasiumleerlingen voor de eerste leden.

Nic had als klein jongetje in Indonesië, de zeetuinen bij Batu Merah in de baai van Ambon vanuit zijn bootje verkend. Hij gebruikte toen een Japans parelduikerbrilletje. Jaren later, in 1958-1959 en 1960, had hij op die manier bij Hyères kennis gemaakt met de onderwaterwereld van de Middellandse zee. Hyères ligt vlakbij de marinehaven van Toulon, waar Emile Gagnan en Jacques Cousteau aan de eerste Aqualung ademautomaat werkten.

Onderwater leren leven Kikvorsmannen in Spaardersbad

De drie Goudse mannen besloten een vereniging op te richten en zich aan te sluiten bij de Onderwater Jagers Club Nederland, waardoor OJC Gouda op 3 oktober 1960 een feit was. Er waren toen nog nauwe­lijks bepalingen of voorwaarden, dus het was eenvoudig om een vereniging op te richten. De aansluiting bij een bestaande vereniging (OJC) had zo z’n voordelen: zo kon zonder ‘Koninklijke Goedkeuring’ wor­den meegelift in de betere voorwaarden voor wettelijke aansprakelijkheid, het verkrijgen van apparatuur en – later – het kunnen behalen van brevetten.

Een stukje uit het artikel in een van de kranten van oktober 1960:

Een wereld van stilte en schoonheid gaat wekelijks open voor de leden van de onlangs opgerichte Goudse Onderwaterjagersvereniging. Met duikbril, zwemvliezen en snorkel of zuurstofapparaat glijden de jeugdige duikers als donkere schimmen over de bodem van het zwembad, met zulke soepele bewegingen, alsof zij hun hele leven nog nooit iets anders gedaan hebben.

Twee weken geleden kreeg deze club zijn vaste vorm. Reeds enige tijd oefenden de heren R. en B. van Wingerden samen met hun zuurstofcilinders, toen de heer N.A. Roozendaal, eveneens een enthousiast onderwatersportlief­hebber, zich bij hen voegde.[…] Een banaan opeten op de bodem van het bad, of een flesje cola leegdrinken wordt voor hen dan de normaalste zaak van de wereld. De leden leren hier ook op zeer economische wijze hun ademhaling toepassen, om zo weinig mogelijk lucht te verbruiken. Deze zomer wil men in open water gaan zwemmen.’

Training in Spaardersbad

OLYMPUS DIGITAL CAMERAHet eerste bestuur bestond uit de gebroeders Van Wingerden en Nic Roozendaal. Ben ging elke week naar OJC Amsterdam om daar les te krijgen. Dat bracht hij dan de daaropvolgende zondag aan OJC Gouda over. In de eerste periode werd in hoofdzaak de apparatuur van de broers van Wingerden ge­bruikt. Ben bleek handig in het regelen van apparatuur en heeft dat ook jarenlang voor de leden gedaan. Alleen de wekelijkse reis naar Amsterdam bleek op den duur niet meer vol te houden. Ben moest daar­naast ook nog wekelijks naar Dräger in Den Haag voor perslucht.

Rol achterwaarts oefenen

OLYMPUS DIGITAL CAMERANa nog een korte samenwerking met OJC Rotterdam (nu ROV Triton) en Duikteam Manta, werd het tijd voor de Gouwenaren om de trainingen zelf te doen. Als leidraad naast de eigen ervaringen, werd het Amerikaanse Marinehandboek genomen. In de loop der jaren werd een zeer degelijk -en tamelijk eigenwijs- trainingssysteem ontwikkeld, gebaseerd op praktijk. Nic Roozendaal verwerkte dit later tot een aantal artikelen in het eerste duikhandboek van de NOB ‘Sportduiken’. Zijn bijdrage bestond uit: uitrusting, veiligheidsmiddelen, accessoires en zwemmend redden.

De uitgebreide zwembadtrainingen in het Spaardersbad leidden uiteindelijk tot de eerste buitenwaterduiken in Nederland. Dat was in de Put van Broekhoven, gelegen bij de Wierickerschans, halverwege Bodegraven en Nieuwerbrug.

De eerste zoetwater buitenduik vond plaats op 3 april 1961. Ben en Nic gingen daar eerst naar toe,om eerst wat ervaring op te doen voordat ze de club op sleeptouw zouden nemen. Bovendien wilden ze eerst het duikwater wat leren kennen. Het bleek prachtig helder water met veel vis. Daarna volgden de overige clubleden, en dat klinkt makkelijker dan het ging. Als Ben, Rob of Nic gingen, konden de anderen vaak in hun auto’s meerijden. Later, toen de leden wat meer gevorderd waren, gingen ze zelf op stap. Op de fiets, met in ieder geval de duikspullen die ze zelf hadden.

Wegens gebrek aan materiaal en pakken was het toen heel gewoon dat de helft van het team mocht duiken en dat de andere helft meeging om te helpen. Soms werd er na de duik van de eerste helft nog een snorkelduik ingelast voor de helpers. Het koude, natte en vaak strakke pak moest dan snel gewisseld worden.

Via Ben en zijn vele kontakten met bijvoorbeeld Baracuda uit Den Haag, maakten de Goudse duikers kennis met het duiken in Zeeland. Verder werd er gedoken in alles wat maar als duikbaar beschouwd werd, met namen als: Princenhage, Galgenven, Ottoland en het Blauwe meer.

De relatie met Baracuda was in de beginperiode erg nuttig. Zij hadden in Zeeland al langer uitgebreide verkenningen gedaan en waren uitstekend op de hoogte van de mooie duikplaatsen, de getijden en de stroming ter plaatse. Een reis naar Zeeland was toen nog een flinke onderneming. De Zeeuwse eilan­den waren nog echte eilanden, in open verbinding met de zee en alleen te bereiken per veerboot, soms met een wachttijd van wel vier uur in de zomer. De eerste duik van de Goudse Sportduikers in zout, stromend Nederlands water was bij de Peilschaal van Dreischor op 18 juli 1961. Dankzij de constante beweging van het in- en uitstromende zeewater en het rijke onderwaterleven was het duiken in Zeeland heel bijzonder.

De zomervakantie van 1961 was voor een aantal leden aan de Middellandse Zee. Joop Gravesteijn, Sylvia Bentfort en Nic Roozendaal doken bij Port Vendres tot een diepte van 25 meter. Daar maakten ze met behulp van een zeer primitief, zelfgemaakt onderwaterhuis hun eerste onderwateropnames.

Op de duikschool waar ze hun lucht haalden, zagen ze een bijzondere automaat met de naam ‘Snark’, die een stuk kleiner was dan ze gewend waren. Toen Nic later met dat apparaat in Nederland ging duiken verklaarden velen hem voor gek. Maar toch was het een bijzonder exemplaar: toen Nic de Snark jaren later voor een grondige revisie naar de fabriek stuurde, kreeg hij het geheel gratis en uitstekend gerevi­seerd terug van producent Nemrod met de mededeling dat het had behoord tot de allereerste serie die ze gemaakt hadden.

IJsduiken en IJsbeertjes

OLYMPUS DIGITAL CAMERAOp 28 december 1961 doken Nic, Joop Gravesteijn, Rene Webb en Max van Essen onder het ijs in de Put van Broekhoven. De ‘lijnman’ was Pim Logman. Daarmee waren zij de eersten in Nederland die onder het ijs doken. Een week later dook de eerste vrouw onder het ijs: Sylvia Bentfort. Ze was de week ervoor verkouden en kon dus niet meedoen, waardoor er speciaal voor haar een extra ijsduik werd ge­organiseerd. Ze wilden te weten komen of duiken onder een ijsvloer mogelijk was, of je het wak onder water kon zien en terugvinden en of het mogelijk was van onderaf door het ijs te komen of er met je mes een snorkelgat in te maken. Onder de ijsvloer duiken bleek met een duiklijn goed mogelijk. Het wak terugvinden zon­der lijn bleek een hachelijke zaak, helemaal als je dat zonder masker probeerde! Gaten maken van onder af door het vijf centimeter dikke ijs was niet mogelijk. De ijsduikers werden IJsbeertjes genoemd, met later in de beruchte winter van 1963 weer een aantal aanvullingen. De ervaringen werden later weer door de onderwatersportbond NOB gebruikt in hun opleidingsprogramma’s. Zo beleefden de Goudse ‘Onderwater Jagers’ een mooie afsluiting van een bijzonder eerste duikjaar. Ook de pers smulde van al dit nieuws en gelukkig is er veel materiaal bewaard gebleven.

Het eerste geborgen anker

OLYMPUS DIGITAL CAMERATijdens de duiken in de Put van Broekhoven hadden de duikers ontdekt dat er op tien meter diepte een grote dekschuit lag, met een indrukwekkend groot anker er in. Het anker is geborgen met toe­stemming van de eigenaar van het water, de heer Van Eijk, en met behulp van heel veel touw en een olievat van 200 liter. Een toevallig passerend busje werd gevraagd om het anker naar Gouda te bren­gen. De opgedane ervaringen waren weer erg waardevol bij de bergingen van vele volgende ankers. Een jaar later is ook geprobeerd om het schip te bergen, maar die bleek te vast in de modder te zitten.

Panorama maakte in 1962 een prachtige reportage, inclusief kleurenfoto’s. Het originele onderschrift bij de foto : ‘Aangestaard door een bedeesd kwijlende koe maken de leden van de Onderwater Jagers Club Gouda zich in het Hollandse polderlandschap duikvaardig.’ Duidelijk te herkennen is de Weijpoortsche Molen, aan de Zuidoost kant van de Put van Broekhoven.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bijzondere ontwikkelingen in de 60-er jaren

Het eerste duikpaar binnen de club waren Wil Gravesteijn en Nic Roozendaal, die elkaar op 15 mei 1962 het ja-woord gaven. Als verrassing werd de plechtigheid in het stadhuis opgeluisterd door een delegatie van clubleden in volledige duikuitrusting.

Tijdens het Pinksterkamp dat jaar werd een aangetroffen drenkeling gered door kunstmatige ademha­ling toe te passen. Dat gebeurde volgens de methode van Silvester (armen open en dicht trekken), want mond-op-mond beademing was toen nog onbekend. Het vormde een vast onderdeel van de zwembad­oefeningen. Het bijschrift van de foto uit de Goudsche Courant van 9 maart 1964: ‘Sjoerd Laméris past kunstmatige ademhaling toe op Pim van der Laan, terwijl Han Laméris en de heer N.A. Roozendaal kritisch toekijken.’

De winter van 1963 staat bekend als heel erg koud. Op 3 maart is het prachtig zonnig weer, maar wel tien graden onder nul. Het ijs is veertig centimeter dik en ideaal voor een ijsduik. Inez Gravesteijn is met 16 jaar de jongste vrouw onder het ijs, en Tom Gravesteijn van 14 is dan de jongste duiker in Nederland. Beide mogen zich ook nog eens ‘IJsbeertje’ noemen. Het aantal IJsbeertjes was ondertussen naar acht gegroeid. Overigens was het meenemen van warm water ook tijdens de duiken in de rest van het seizoen al snel gebruikelijk. Zelfs met het huidige materiaal doen warmen we nog steeds op met warm water uit een thermosfles.

Bijzondere duiken worden bij Haastrecht gemaakt, nadat het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Onderzoek opgravingen van een oud kasteel langs de Vlist had gedaan. De restanten van een 600 jaar oude brug (bevestigd door onderzoek naar een afgezaagde paal) werden gevonden, net als een ridder­spoor en kloostermoppen.

De oprichting van de NOB

In het Instructieboek van de Nederlandse Onderwatersport Bond uit 1967 staat een prachtig stukje over organisatie:

De mens heeft de neiging om chaos te vermijden en zich te organiseren, om door gezamenlijke inspanning zijn doel te bereiken. De organisatie van de duiksport is vaak aan de rand van de chaos geweest in de laatste tien jaar, waarin de belangstelling voor de onderwatersport zo enorm toegenomen is. Door toegewijde individuen is echter zeer veel werk verzet, om te trachten leiding te geven op duikgebied, waarbij zij blootstonden aan niet aflatende kritiek.’

Na de oprichting van de Nederlandse Bond voor Onderwatersport (NBvO) in 1958, waren niet aflatende pogingen ondernomen om te komen tot een landelijke federatie waarin ook de OJC Amsterdam en de afdelingen van die club zouden worden opgenomen. De OJC Amsterdam deed pogingen om als lande­lijk coördinatieorgaan te worden erkend, richtte de OJC Nederland op en diende een aanvraag in voor Koninklijke Goedkeuring. In diezelfde tijd deed ook de Nederlandse Bond voor Onderwatersport dat. Dit was voor het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een reden om een vergadering met beide groeperingen te beleggen. De bedoeling was, om de Nederlandse Bond voor Onderwatersport en OJC Nederland samen te voegen tot één landelijke overkoepelende organisatie. De voorbereidende bespreking verliep vlot en op 10 oktober 1962 kwamen in Utrecht de volgende clubs en vertegenwoordi­gers ervan bij elkaar: Dr. J.H. Stock (Duikteam Manta), H. Gramser (Duikteam Merou), Dr. H.J. Hora Adema (OJC Amsterdam), N.A. Roozendaal (OJC Gouda), H.A. van Vlimmeren (NVvO Baracuda), J. Huysman (OW Groep Neptunus), A.M. Vossepoel (OJC Leiden) J. van Sliedregt (OJC Rotterdam) en W. v.d. Brink (OJC Utrecht).

Met algemene stemmen werd besloten, om te komen tot de oprichting van de Nederlandse Onderwa­tersport Bond. Dit besluit was voor de NBvO aanleiding om haar werkzaamheden te beëindigen en de NBvO geheel te laten opgaan in de NOB. De voorzitter van OJC legde daarna ook een dergelijke verkla­ring af voor de OJC Nederland.

Zeer teleurstellend was het voor de aangesloten clubs, dat de OJC Amsterdam, na de oprichtingsverga­dering, verder niets van zich heeft laten horen. Er bleef echter hier en daar wel een enkel persoonlijk contact bestaan. In de loop van 1965 kwam er een nieuw gesprek tot stand, waarbij geleidelijk een ver­dere samenwerking werd gerealiseerd. De NOB zette haar werk voort. De Koninklijke Goedkeuring werd verkregen op 7 maart 1963 en aansluiting bij de Nederlandse Sport Federatie NSF was al snel een feit. Er kwamen nieuwe clubs bij en het aantal leden in Nederland groeide snel.

Er werden nieuwe brevetten, gebaseerd op de British Sub Aqua Club BSAC, en een veiligheidsreglement ingevoerd. Net als andere landelijke organisaties heeft de NOB zich aangesloten bij de wereldorganisatie CMAS, Confédération Mondiale des Activités Subaquatiques.

OJC Gouda veranderde haar naam in ‘De Goudse Sportduikers’ en werd NOB-vereniging nummer acht. Nic Roozendaal kreeg logboek nummer vier. Anders dan de originele naam deed vermoeden, voerde de Goudse Club succesvol actie tegen het jagen, in ieder geval als sport. Ben van Wingerden begon zelf als jager voor eigen consumptie, maar vertegenwoordigde later de NOB als tegenstander van het jagen. Alleen in de landen rond de Middellandse Zee bleef het jagen door snorkelaars een populaire sport, met zelfs jaarlijkse kampioenschappen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bijzondere duiken

In 1964 werd er bij Zierikzee onderwater gezocht naar een ruïne, waarvan een keer het tegelvoertje was gezien. Tijdens de eerste duik werden er duidelijk restanten en muurtjes gevonden, maar geen tegelvloer. Bij latere pogingen was alles alweer onder het slib verdwenen.

Twee heel bijzondere duiken werden gemaakt in de toen nieuwe gastank aan de Gouwe (die er nu niet meer staat). Boze schilders bleken van alles in de tank te hebben gegooid, wat tot ernstige schade kon leiden. De politie kreeg succesvolle hulp van Frans Vlug en Ben van Wingerden, onder leiding van Nic Roozendaal. Het bijzondere is vooral dat tussen de bovenste op water drijvende bak, en die daaronder maar dertig centimeter water staat. Hierdoor moest de duiker eerst op eigen adem een meter afleggen en daarna in het donker zijn duikuitrusting aandoen. Aangelijnd en met een lamp kon de duiker dan tien meter in het koude water zakken en gaan zoeken in de tank, met een doorsnede van veertig meter.

Zomerkamp Renesse 1965

De Put van Broekhoven bleef een populaire duikbestemming tot 1970, toen een aantal onbekende dui­kers uit de buurt van Utrecht hun sporen achterlieten in de vorm van rommel en schade. Via de pers wer­den de beschuldigingen richting DGS geuit en bleef de put alleen nog bestaan voor zwemmers. Gelukkig werd Zeeland steeds beter bereikbaar,en daar werd dan ook heel veel gedoken.In 1965 werd een zomerkamp in Renesse zeer geslaagd afgesloten. Er werden diverse ankers en een gashen­del uit een wrak in de Schelphoek geborgen. Daarnaast werd er bij de eerdergenoemde ruïnes bij Zierikzee een ongeveer 600 jaar oude huis­merksteen gevonden. Niet alles bleek even waardevol: een bijzondere vondst van Gillis de Jonge, dat leek op een antiek vaasje, bleek een scher­pe granaat te zijn. Ander bergings­werk vond plaats in de Gouwe, waar een schipper een bronzen schroef was verloren. Toen de aangelijnde Joop Gravesteijn net seinde dat hij de schroef had gevonden, moest hij snel worden teruggehaald omdat er een schip aan kwam varen. Hevig protesterend kwam hij weer boven. Gelukkig had zijn vader een knoop in de seinlijn gemaakt op het moment dat Joop het anker had gevonden. Daardoor kon het even later snel weer worden teruggevonden en geborgen.

Bergingsklussen

De Goudse Sportduikers werden vaak gevraagd voor bergingsklussen. Na een training van de Goudse Brandweerduikers deden Bert van de Berg en Nic Roozendaal mee aan een oefening om een revolver terug te vinden die veertig meter van de kant moest liggen. Als ervaren lijnduikers verliep dat zoeken en bergen uitstekend. Na een incident met een paar duikers, die meer dan een redelijke vergoeding vroegen voor het repareren van een scheepsschroef, was de relatie met de sluismeester snel bekoeld. De sluis­meester stond tot die tijd garant voor veel klussen. Pas in de jaren tachtig werd er in de Gouwe nog een bergingsklus uitgevoerd toen een aantal stalen binten van een schip waren gevallen. Met een grote kraan van Nederhoff werden de binten geborgen door de broers Kees en Nico In ’t Hout en René Bruinsma. En weer onder leiding van Nic Roozendaal.

Door de verscherping van de wetgeving op arbeidsomstandigheden en aansprakelijkheid werd het zoe­ken en bergen voornamelijk nog door professionele duikers gedaan. Ook verliepen niet alle bergingen even succesvol. Een poging om een gevallen buitenboordmotor uit de IJssel te bergen ,moest worden ge­staakt omdat er teveel troep lag en het zicht nul was. Een van de duikers raakte verstrikt in prikkeldraad en kon maar met moeite weer langzaam achteruit kruipend terugkomen. Het aantal ankers waarvan bekend is dat ze zijn boven gehaald ligt rond de vijftien, waarvan de meesten in Zeeland zijn geborgen. Een aantal van deze ankers ligt nu nog in de tuinen van diverse duikers.

Naast de vele duiken in Zeeland en de Put van Broekhoven, gaven Wil en Ien Gravesteijn ook een avond duikdemonstraties in een groot aquarium tijdens een beurs van de Nationale Visserij Tentoonstelling. John Hekkens en Nic Roozendaal namen in 1968 deel aan een wereldconferentie over ‘Überleben auf See’ in Kiel, waar ze de toenmalige topmensen op duikgebied ontmoetten. Bert van de Berg en Nic Roozendaal hebben een aantal bijzonder mooie duiken gemaakt om de kop van de Zuidbout. Ze hadden het geluk dat het hele traject zo goed als stroomloos was. In die tijd was dat een gevaarlijke plek door de grote diepte en stroming, maar zij noteerden bijzonder mooie begroeiing en vele vislijnen. Bert deed niet alleen veel van de bergingsklussen, maar stond ook te boek als bijzonder veilige mededuiker. Hij heeft in Frankrijk ooit een duiker met diepteroes vanaf een zeer grote diepte opgehaald (die duiker wist niet meer wat onder of boven was en ging dus de verkeerde kant op). En toen tijdens een rustige duik in Zeeland, zijn mededuiker niet op tijd reageerde op een aantal ‘Is alles OK?-vragen’, bracht Bert die duiker vakkundig maar resoluut naar de oppervlakte. Pas daar kon de geredde duiker uitleggen dat hij geboeid naar een paar naaktslakken aan het kijken was.

Hoofdtrainer

In 1970 wordt Errol Sirre hoofdtrainer, wat hij vele jaren blijft doen. Naast de opleiding tot fysiothe­rapeut volgt Errol ook de opleiding tot Instructeur. Dit betekende veel ritten naar de strenge commis­sies in Papendal en heel veel theorie- en praktijklessen. De NOB werkte op dat moment met officiële Bondsinstructeurs, die alle examens afnamen en de brevetten mochten verklaren. Het instructieboek ‘Duiken Maar’ van Nic Roozendaal wordt door de NOB overgenomen en jarenlang als ‘Het blauwe NOB-boek’ in ringband- formaat verkocht. Ook Gerard van Gent heeft jarenlang de trainingen verzorgd. Hij was als enige bevoegd instructeur voor reddend zwemmen.

Fons Winckers

Een veel besproken verhaal gaat over de kennismaking met Fons Winckers, in juli 1972. Fons had met zijn maatjes uit Arnhem gedoken bij de Zuidbout, en op twintig meter diepte een mooi anker gevonden. Omdat ze niet de spullen en de tijd hadden om het anker meteen te lichten, werd Fons aangesteld als bewaker. Zo konden zijn maatjes de spullen organiseren om daarna weer terug te komen. Dat bleek een hele tijd te duren, maar de hongerige en trouwe Fons week niet van zijn post. Hij nam zijn taak als bewa­ker erg serieus, zoals De Goudse Sportduikers Henk Lambert, Joop Markus en Nic Roozendaal merkten toen ze bij de Zuidbout wilden duiken. Ondanks het wat agressieve welkom hebben ze er toch gedoken, en na veel praten en geen terugkerende maatjes, aangeboden om het anker voor Fons te lichten. Fons stroopte de plaatselijke camping af op zoek naar skippyballen, touw en katrollen. Met behulp van alle aanwezige gezinsleden werd het anker naar de oppervlakte gehaald en aan Fons overgedragen. Met Fons hadden De Goudse Sportduikers er een zeer actief lid bij, die jarenlang het materiaal heeft onderhouden en altijd voor voldoende gespreksstof zorgde.

Erelid Nic Roozendaal

OLYMPUS DIGITAL CAMERANic Roozendaal was niet alleen betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Onderwatersport Bond, maar bleef actief in het delen van zijn kennis over opleidingen en trainingen. Het boek ‘Duiken Maar’ is daar natuurlijk een mooi voorbeeld van. Als dank van de NOB kreeg Nic de gelegenheid om bij de Nederlandse Sport Federatie (NSF) een vijftien weken durende cursus coaching te volgen. Dit gebeurde met hulp en steun van de hele vereniging. Al eerder had Nic bij de NSF een opleiding ‘Trainingsleer en conditietraining’ afgerond. Hier verkeerde hij in het selecte gezelschap van topcoaches van diverse spor­ten in Nederland.

Drenkeling vervoeren

In de winter van 1974 werd er niet onder het ijs gedoken, maar in een ondergelopen kelder in het monu­mentale hart van Gouda. De duikers Joop Markus, Henk Lambert, Fons Winckers en Nic Roozendaal hadden uiteindelijk een hele collectie van tegelfragmenten, potscherven, een benen mesheft, een schoen­zool, oude wijnflesscherven (die ze weer konden samenstellen tot een hele fles), plavuizen, een gedenkpen­ning uit 1880 en fragmenten van een pijpenbakoven.

Op vijf november 1975 wordt Nic Roozendaal tot erelid van De Goudse Sportduikers benoemd.

Vijftig jaar historie betekent ook momenten zijn geweest waarin de club het wat zwaarder te verduren had. Bestuursvergaderingen ston­den, zeker in het begin, garant voor nachtwerk en heftige discussies. Binnen de vereniging zijn een aantal keer groepjes duikers vertrokken met eigen ideeën, waarna De Goudse Sportduikers met een flinke aderlating de draad moesten oppakken. Twee duikverenigingen die nu nog bestaan en hun wortels in De Goudse Sportduikers hebben, zijn Atlantis in Alphen aan de Rijn en Remora in Gouda.

Het archief is ook een weerspiegeling van de golfbewegingen binnen de vereniging. Er is een aantal jaren geweest met soms maar tien leden, maar ook jaren waarin ledenstops moesten worden afgekondigd.

Met de komst van Henk Lambert als voorzitter (begin 70’er jaren) is er hard gewerkt aan de rust en de sfeer binnen de vereniging. Onder zijn voorzitterschap is de vereniging gegroeid en succesvol gebleven. Iedere voorzitter heeft wel een kleine crisis meegemaakt, zoals Henk dat aan zijn opvolgers voorspelde.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

(Uit jubileumboek 50 jaar Goudse Sportduikers; 2010)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.